Proloog

De nieuwe kluisjes komen op een dinsdag.

Cas komt ’s ochtends school in en staat stil. De hele gang is veranderd. Honderden blauwe kluisjes, glanzend, alsof ze er altijd al hadden gestaan. De oude zijn weg — bruine metalen deurtjes, krasjes, stickers die nooit helemaal loskwamen. Verdwenen. Alsof ze er nooit waren geweest.

Niemand had hem iets gevraagd. Hij was voorzitter van de leerlingenraad.

Iedereen is enthousiast.

“Je opent ze met je telefoon,” zegt Demi uit zijn klas. Ze houdt haar telefoon tegen de NFC-lezer en het deurtje springt open. “Kijk dan.”

“Wat als je telefoon leeg is?” zegt Cas.

Demi kijkt hem aan alsof hij heeft voorgesteld om weer met een ganzenveer te schrijven.

Cas loopt langs de rij. De kluisjes zijn mooi, dat wel. Maar de oude waren ook prima. Die deden het gewoon. Je had een sleutel, je opende hem, klaar. Nu kon je ook gewoon je telefoon verliezen en dan stond je hier.

En dan ziet hij het.

Eén kluisje dat niet meedoet.

Het hangt tussen 847 en 849, grijs en gedeukt tussen al dat blauw. Het deurtje staat een beetje open — net genoeg om te zien dat er iets mis is gegaan. De NFC-lezer aan de zijkant is los. Er staat geen naam op, geen nummer.

Cas duwt het deurtje zachtjes dicht. Het springt weer open.

Hij zoekt meneer Peeters.

* * *

Meneer Peeters staat bij de kopieermachines met een bakje koffie en een gezicht dat zegt dat hij al een lange dag heeft gehad, en dat het pas kwart voor negen is.

“Dat kapotte kluisje,” zegt Cas. “Mag ik dat hebben?”

Meneer Peeters kijkt hem aan. “Hebben?”

“Voor de leerlingenraad. Als brievenbus. Briefjes erin, briefjes eruit.” Hij haalt zijn schouders op. “Die nieuwe kan ik toch niet gebruiken, want dan moet iedereen mijn telefoon hebben.”

Meneer Peeters denkt na. Dan zet hij zijn koffie neer, loopt naar zijn kantoortje en komt terug met een map. Hij bladert erdoorheen, mompelt iets, bladert verder. Dan trekt hij een pen uit zijn borstzakje en streept iets door.

“Staat niet in het systeem,” zegt hij. “Bestaat dus niet.” Hij kijkt op. “Jij mag hem hebben.”

Hij verdwijnt weer zijn kantoortje in. Cas denkt dat het gesprek voorbij is. Maar een minuut later komt meneer Peeters terug — met een boormachine, twee schroefoogjes en een cijferslot in een plastic zakje.

“Waar wacht je op,” zegt hij.

* * *

Ze monteren het samen. Meneer Peeters boort, Cas houdt het deurtje stil. De schroefoogjes gaan erin. Het cijferslot klikt vast.

“Code?” zegt meneer Peeters.

“6767.”

Meneer Peeters knikt alsof dat een prima code is en vraagt er verder niets over.

“Als je het maar netjes houdt,” zegt hij. Dan pakt hij zijn boormachine en loopt weg.

Cas kijkt naar het kluisje. Grijs, gedeukt, een beetje scheef. Het deurtje sluit niet perfect, maar het sluit wel. Het slot klikt netjes dicht.

Kluisje 0.

Het enige kluisje op school dat niemand met zijn telefoon kan openen.

Verder denkt niemand er meer aan.

Voorlopig.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven